Direct naar navigatie

Armen en zieken

Door: admin, Periode: 3000 v. Chr. - 1899, Thema's: Armen en zieken

Wie tegenwoordig ziek is of niet in staat is om te werken, hoeft zich geen zorgen te maken over onderdak, warmte en voedsel. Iedereen heeft in zo'n situatie recht op een uitkering. Dat is in 1963 geregeld in de Algemene Bijstandswet. Voor 1963 was dat een ander verhaal. Je was volledig afhankelijk van de zorg die andere mensen je konden en wilden geven...

Je stond er slecht voor als je ‘krankzinnig was geboren’ of ‘volslagen doof en lijdende aan een zakbreuk’ was, werd geveld door ‘waterzucht’, ‘vallende ziekte’ of de ‘gevolgen van syphilis’, een ‘zwakkelijk gestel’ bezat, of aan ‘ijlhoofdigheid’ leed.

De woonomstandigheden lieten veel te wensen over. Hier een kijkje in de 1e Achtersteeg (circa 1900). Collectie stadsarchief Vlaardingen.

En wanneer je wieg in de Achterstraat of in één van de vele sloppen of stegen stond, dan was het helemaal niet best. Want 'Was je voor een dubbeltje geboren, dan werd je nooit een kwartje'

Je was geheel afhankelijk van de goedheid van anderen. Meestal waren dat de kerk of de stedelijke armenzorg. Je moest dus maar afwachten óf en hoelang je je eigen hoofd én de kinderkopjes boven water kon houden. Liefdadigheid heette dat…..

Vroegst bekende vorm van liefdadigheid

In de 16e eeuw strekte de goedheid van de Heilige Geestmeesters zich uit tot het geven van enige vorm van onderwijs en van hulp aan de 'afvalligen der maatschappij': de armen en gebrekkigen, de weduwen en wezen en andere pechvogels. Hiervoor stichtten zij een gasthuis op de Markt.

Bij deze Heilige Geestmeesters sneed het mes aan twee kanten. Zij behoedden de stumpers voor een genadeloze en wisse ondergang, maar bovenal waren ze zo zélf van een plekje in het hiernamaals verzekerd.

De Reformatie liet hierop een heel ander licht schijnen; God vergaf de zonden van de mens alleen uit pure genade.... Dit veroorzaakte een tweestrijd tussen rooms-katholieken en protestanten. Op een gegeven moment werd het Heilige Geestgasthuis nog slechts bewoond door wezen. Zij kregen in 1722 een nieuw onderkomen in een buitenverblijf in de Ridderstraat.

De pest, ofwel de ‘zwarte dood’

Van hygiëne had in de verste verte nog niemand gehoord. Menselijke uitwerpselen kwamen bijvoorbeeld  in de gracht, op straat of in het open riool terecht. Verrot afval, vissekoppen en graten, dode beesten, dierenstront enzovoort werden her en der gedumpt. Dat dat problemen veroorzaakte, mag duidelijk zijn.

In 1348 en 1349 heerste er een grote pestepidemie in West-Europa. We weten niet of Vlaardingen hierdoor ook getroffen werd. Deze verschrikkelijke ziekte heette in de volksmond de ‘gesel Gods’. De ziekte uitte zich door zwarte builen in liezen en oksels, bloed braken en hoge koorts. Had je deze verschijnselen? Dan was je meestal ten dode opgeschreven. Nu weten we dat vlooienbeten de ziekte konden overbrengen. Vroeger legde echter niemand het verband tussen de vlooien en de pest.

Een nieuwe pestepidemie zaaide in 1467 dood en verderf in Vlaardingen. Ook in de jaren 1602, 1636, 1665 en 1666 trof de pest onze stad. Het stadsbestuur ondernam in 1602 een aantal noodmaatregelen in een poging om haar inwoners te beschermen. Ze sloten de besmette woningen af en contact met de pestslachtoffers werd vermeden.

Na drie dagen was de ziekte vaak fataal en overleed het slachtoffer. Veel pestlijders wilden voor die tijd nog hun testament laten opmaken. De notarissen maakten dus overuren. Ook de geleerde 'medicinae doctors' en de heelmeesters of chirurgijns hadden hun handen vol aan de ziekte. In die tijd dacht men dat het menselijk lichaam een ‘zak vol beenderen, gevuld met vier sappen; bloed, slijm, gele en zwarte gal’ was. Teveel bloed veroorzaakte koorts. Koorts bestreed je met aderlatingen door snedes in de elleboogholte te maken en door bloedzuigers en Spaanse vliegen te gebruiken...

Bij de laatste pestepidemie werd een zogenaamde pestmeester aangesteld. Voor zijn bezoek aan een pestlijdershuis, zette hij een masker op. Dat was gevuld met sterk geurende kruiden en moest de ziekte op een afstand houden. Bovendien werd de inboedel van pesthuizen verbrand en moesten brandende pektonnen de lucht zuiveren. Al deze rigoureuze maatregelen leidden tot niets.

Hoe verder de medische wetenschap zich ontwikkelde, hoe meer mensen zich bewust werden van de noodzaak van een goede hygiëne. Het zou echter nog lang duren voordat men gespaard bleef van dodelijke, besmettelijke ziektes.

Cholera, tyfus en tuberculose

'Opgaven betreffende het aantal cholera-lijders' (Archief van de Choleracommissie 1859, inv.nr. 004)  In 1832 brak er in Vlaardingen een cholera-epidemie uit die een half jaar duurde. De geleerde heren 'medicinae doctors' bedachten voor de bestrijding hiervan verschillende behandelingen. Eén ervan was het gebruik van opium, maar het haalde allemaal weinig uit. Ook in de jaren 1849, 1859 en 1866 zette de 'Commissie tot de zaken van den Aziatische braakloop', zoals cholera ook wel genoemd werd, veel streepjes bij ‘overleden aan de ziekte’.

In 1917 en 1918 brak er ook nog tyfus uit. Men was in die tijd al veel wijzer op medisch gebied. Al gauw kwam men erachter dat de uitbraken veroorzaakt werden door verontreinigde melk.

Een groep Vlaardingse kinderen in een gezondheidskolonie in de Biesbos, 1903Tuberculose, een ernstige longziekte, was een tijd lang ‘volksvijand nummer 1’. Door de armoedige en onhygiënische woon- en leefomstandigheden hadden de tuberculosebacillen vrij spel. Er werden verschillende maatregelen genomen om de ziekte te bestrijden. In 1899 werd de 'Vereeniging voor Gezondheidskoloniën’ in het leven geroepen. Hierdoor konden negentien kinderen voor langere tijd kuren in een sanatorium in het Liesbos bij Breda.

De 'Vereeniging tot Bestrijding der Tuberculose' werkte vanaf 1911 samen met 'Zonnegloren' en 'Herwonnen Levenskracht' om de tbc-lijders te helpen. Samen zorgden ze voor verpleging aan huis en goede en versterkende voeding. Was thuis ziek zijn geen optie, dan kon je misschien een plekje krijgen in een van de draaibare ‘lighallen’ op het voormalige Flardingaveld in Het Hof. De verblijven kregen de naam ‘Koningin Emmarusthuis’. Deze vorstin zette zich enorm in voor de bestrijding en verlichting van deze ernstige ziekte.

Eerste ziekenhuis, een barak aan de Kortedijk

Geen geld? Geen zorg! Zo stonden de zaken er lange tijd voor. Rond 1860 richtte het stadsbestuur voor het eerst een ‘ziekenbarak’ in aan de Kortedijk. Hier konden de meest ernstige gevallen terecht. Als je al ziek was, dan werd je daar zéker niet beter. De omstandigheden waren er uitermate slecht.

Heel, heel langzaam ontstond het besef dat de ziekenverpleging toch naar een hoger niveau getild moest worden. Wat volgde was een klein ziekenhuisje voor vijf patiënten aan de Hoflaan. Al snel was de ruimte te klein en volgde er een verhuizing naar de Callenburgstraat. Dit gebeurde dankzij de bemoeienis van de ‘Vereeniging voor Ziekenverpleging’ die in 1897 was opgericht. Ook de wijkverpleging kreeg toen aandacht.

De operatiekamer in het Hofsingelziekenhuis. De operatie is in scène gezet voor de fotograaf (circa 1925)

Op een prachtig plekje aan de rand van Het Hof werd in 1901 het Hofsingelziekenhuis gebouwd. Het was in die tijd een moderne verpleeginrichting waar zuster Gretha Hofstra (1858-1937) liefderijk haar stempel op drukte. Net zoals ze dat deed in het ziekenhuisje in de Callenburgstraat.

De Vlaardingse ziekenhuizen 

De stad Vlaardingen bleef groeien en er kwamen steeds meer zieken bij. In 1949 slaakten de hulpverleners een noodkreet om het ziekenhuis uit te breiden. Daarop zou het nog een tijdje wachten zijn. In 1955 bracht men de afdeling gynaecologie en de kinder- en kraamafdeling van het Hofsingelziekenhuis onder in een tijdelijk dependance in het zogenaamde flatziekenhuis aan de Soendalaan.

In 1958 startte de bouw van het Holyziekenhuis. In september 1964 konden de patiënten van de Soendalaan en het Hofsingelziekenhuis eindelijk naar het Holyziekenhuis overgebracht worden. Later zou dit ziekenhuis de naam Vlietlandziekenhuis, locatie Holy krijgen. Ondertussen is ook dit ziekenhuis alweer verleden tijd.

In 2008 opende het Vlietlandziekenhuis in Schiedam. Sinds die tijd moeten de Vlaardingers voor een ziekenhuisbezoek naar de buurgemeente. In 2015 fuseerde dat ziekenhuis met het Sint Franciscus Gasthuis Rotterdam en is de ziekenhuisorganisatie Sint Franciscus Vlietland Groep een feit.

Arm en afhankelijk van goede gaven

Geen oogst, geen werk, lui, ziek, zwak of misselijk, de omstandigheden waardoor een inwoner van Vlaardingen vroeger in grote armoede kon komen te verkeren, zijn legio. De schuld van al die ellende lag niet altíjd alleen bij hem- of haarzelf. In de 16e eeuw bestond algemeen het beeld dat minder bedeelden het aan zichzelf te wijten hadden dat ze in een dergelijke situatie waren beland. Wie immers lui, aan de drank of spilzuchtig was, moest daar dan ook zelf maar de gevolgen van ondervinden.

Je was afhankelijk van de goede gaven van anderen, van de bedeling, ging bedelend het leven door of probeerde op een manier aan pecunia te komen, die het daglicht niet kon verdragen. Tja, je moet toch wat als er zoveel mondjes te voeden zijn…..
In de zogeheten Criminele Rollen (Oud-Rechterlijk Archief) staan tal van delicten beschreven die overduidelijk hun oorzaak vonden in de armoedige leefomstandigheden.
Zo werd ene Pieter Dirkse op 12 januari 1723 veroordeeld tot ‘geseling en verbanning uit Holland en West-Friesland voor de tijd van 12 jaar wegens het vissen in andermans water'. Pieter verkocht de vis en verdeelde de opbrengst onder zijn armlastige zoons.
De 61-jarige bedelaarster Grietje Brettels, door haar man verlaten, stal op maandag 3 juli 1780, de dag dat ze Vlaardingen binnenkwam, ‘een tas met een zilveren beugel’ waarin ook nog wat geld zat…. De vrouw werd veroordeeld tot ‘strenge geseling binnenskamers’ en bovendien levenslang verbannen uit Vlaardingen.

Stadsvroedvrouwen en stadsheelmeesters

In tegenstelling tot de gefortuneerde Vlaardingers moest het arme segment van de bevolking als de nood aan de man was, een beroep doen op de zogenaamde stadsheelmeesters of stadsvroedvrouwen. Vroedvrouwen die in dienst waren van het stadsbestuur waren in de 18e eeuw verplicht om de in barensnood verkerende vrouw naar de naam van de vader van haar kind te vragen, zodat deze aansprakelijk kon worden gesteld voor alle kosten, ook die van de opvoeding. Tweede stadsvroedvrouw Reymtje Philipsd. Cornaet had dat op 29 oktober 1732 verzuimd en werd daarvoor beboet en gedegradeerd tot derde stadsvroedvrouw. Het zal vast geen toeval zijn geweest dat ze deze vraag bij haar familielid 'vergeten' was te stellen.De 'regtdag' vond plaats op 16 februari 1733; Reymtje Philips, vergezeld van haar 'hare man en voogd, Pieter Arientzn van Vliet' wordt door de 'Bailjuw deser stede de Heer en Mr. Johan van der Heijm' met haar neus op de feiten gedrukt.....(Oud-Rechterlijk Archief, inv.nr. 10)

Van lieverlee groeide het besef dat armoede niet altijd de schuld is van de betreffende persoon zelf. Allerlei initiatieven, bijna allemaal gekoppeld aan een kerk, werden in het leven geroepen. Zo was de belangrijkste taak van de Diaconie van de Hervormde Gemeente het zorgen voor de armen thuis. Zij zag erop toe dat deze niet verhongerden en keek daarbij ook naar de situatie thuis. Verpatste vader de geschonken centjes niet meteen in de kroeg, gingen de kindertjes wel braaf naar de juiste school en zo meer.
Drank was inderdaad veelal de oorzaak van de armoedige omstandigheden waarin veel gezinnen verkeerden. Dominee Henri Jacques James en zijn vrouw Jkvr. Cornelia A. J. van Hogendorp waren ook hiervan doordrongen en kochten in 1896, grotendeels uit eigen zak, een pand aan de Westhavenplaats. Het kreeg de naam ‘Christelijk zeemans- en geheelonthoudersvolkskoffiehuis’. Zij wilden hiermee vooral voorkomen dat gezinnen in armoede raakten doordat de kostwinner zijn gage verbraste wanneer hij op weg was naar huis. Ook ontlastte de dominee met dit initiatief  de stad van overlastgevende, dronken zeelui. De socialisten waren wat soepeler in de leer. In hun ‘Geheelonthoudersvolkskoffiehuis’ aan de Oosthavenkade kon men nog wel een pintje pakken, zij het in beperkte mate.

Charitatieve acties

In de periode van grote armoede aan het begin van de 19e eeuw, werd naar aanleiding van het grote aantal in nood verkerende gezinnen de ‘Spijskokerij’ of ‘Soepkeuken’ ingesteld. Bestemd voor de regenten van het Vlaardingse weeshuis:recepten voor immense hoeveelheden soep (Commissie voor de Soepkokerij, inv. nr. 5 [circa1805])Nog tot in de Tweede Wereldoorlog eeuw kon je als hongerige onbemiddelde Vlaardinger drie keer per week door middel van inlevering van een bonnetje een kommetje soep krijgen. In 1887 richtten enkele dames van gegoede afkomst de ‘Vereeniging Hulp in Nood’ op. Hun betrokkenheid met de armen ging ver; zelfs in hun vrije tijd herstelden zij de kleding van de allerarmsten en legden ze huisbezoeken af. Zij hadden een heilig doel voor ogen; het armoedige volk omvormen tot zedige en godsdienstige medeburgers.

No job, no pay. De crisis in de jaren ’30 van de vorige eeuw bracht veel werkeloosheid, ook in Vlaardingen. De ‘steuntrekkers’, zoals de werklozen die een kleine uitkering ontvingen genoemd werden, moesten daarvoor wat terug doen en werden in allerlei werkverschaffingsprojecten geplaatst. Dankzij hen profiteren wij nu nog van het Oranjepark, de dierenwei, toen hertenkamp aan de Hofsingel en het voetbalveld aan de Sportlaan.
Het in 1931 opgerichte ‘Crisiscomité’ vulde niet alleen de hongerige magen, maar bracht ook wat afleiding in het troosteloze bestaan. De film- en muziekavonden werden druk bezocht en de zeep of tabak die men na afloop van zo’n avond meekreeg, werd dankbaar in ontvangst genomen.
Dit was niet het enige initiatief, vele volgden. ‘Draagt Elkanders Lasten’, het ‘Comité voor Ontspanning van Christelijk Georganiseerde Werklozen’, het ‘Protestants Christelijk Comité voor Bijstand’, stadsevangelisatie ‘Jeruël’ en zelfs ‘Maggi’s rijdende keuken’ brachten voor velen uitkomst.

Zuinigheid met vlijt……

De tijden veranderden. Het ‘appeltje voor de dorst’ werd niet meer in die ouwe vertrouwde sok onder de matras gestopt. De Eerste Vlaardingsche Spaarbank deed zijn intrede in 1823, een initiatief van een aantal notabelen waaronder K. Betz, J. Verkade en H. IJzermans.
Ten behoeve van de achtergebleven familieleden van de bemanningsleden van drie vergane Vlaardingse vissersschepen, richtte men het ‘Zeemansfonds’ op. Ook op de reders werd een beroep gedaan en wel door het ‘Visschers Weduwen en Wezen Fonds’. Elke reder had de plicht daar jaarlijks een bepaald bedrag in te storten. De bemanningsleden hoefden slechts een klein deel van hun loon hiervoor af te staan.
Werden vissers aan boord ziek, dan kon men een beroep doen op het Onderling Ondersteuningsfonds ‘Het Algemeen Belang’, waardoor het vissersgezin gedurende een periode van maximaal 13 weken kon profiteren van een wekelijkse toelage.

Met het ontstaan, na de Tweede Wereldoorlog, van de verzorgingsstaat waarvan Willem Drees en zijn katholiek-socialistische kabinetten de onbetwiste grondleggers waren, worden we tegenwoordig verzorgd van de wieg tot het graf. Maandag wasdag! Armoedige behuizing in de 2e Landsteeg (Foto Muns)

 

Reacties