Direct naar navigatie

Naamlijst, handschrift van de 5 Groote Steeden behoorende onder de Groote Visscherije van Holland

Door: Museum Vlaardingen, Periode: 1700 - 1799, Thema's: Visserij, Gezag en politiek

Vanaf ongeveer midden 16e tot midden 19e eeuw zorgde het College der Groote Visserij voor de belangen van de haringvisserij en daarnaast bewaakte het de kwaliteit onder andere via regelgeving. Merkwaardigerwijs was de stad Vlaardingen geen lid van dit college. Dit fraaie handschrift uit 1732 toont het wapen van het college, de wapens van de deelnemende steden en bevat de namen van de secretarissen en penningmeesters van het college namens de stad Delft tot aan 1732.

Handschrift met naamlijst behoorende bij de Groote VisscherijeDit 20 pagina’s tellende  fraaie handgeschreven overzicht uit 1732 bevat de namen van de penningmeesters en secretarissen van het College der Groote Visscherij van de stad Delft. De omslag toont naast het wapen van het college, de wapenschilden van de 5 bladzijde uit het handschrift van de naamlijststeden behorende tot het college. Het wapen bestaat uit een haringbuis met daarop de Hollandse leeuw met in zijn klauwen twee haringen en een aantal allegorische figuren en zeewezens. Onder de namen van de penningmeesters vinden we die van Maarten Harpersz Tromp, een kleinzoon van de beroemde admiraal. In 1686 was deze Tromp penningmeester van het college. bladzijde uit handschrift met naam Tromp
Met de grote visserij werd de haringvisserij bedoeld. Onder de kleine visserij verstond men de visserij op verse vis zoals kabeljauw en schelvis en zelfs de walvisvaart. Dit had dus niets met de grootte van het dier te maken, maar alles met het economisch belang. De haringvangst was verreweg het belangrijkst. 
Het College voor de Groote Visscherij werd in 1567 opgericht en bestond uit vertegenwoordigers van de belangrijkste steden van de haringvisserij: Enkhuizen, Rotterdam, Schiedam, Delft en Brielle. Vlaardingen maakte in die jaren geen deel uit van het college. 
Hat College was niet alleen een belangenvereniging, maar bewaakte ook de kwaliteit van de haring. Zo schreven ze bijvoorbeeld voor wat voor zout moest worden gebruikt en wat de minimum maaswijdte voor de netten moest zijn. De overheden hadden het college ook hiertoe de bevoegdheid gegeven. Het college was dus naast branchevereniging een soort Voedsel- en Warenautoriteit voor de haringvisserij.
Langzamerhand, met name na de Franse tijd,  overvleugelde de haringvisserij van Vlaardingen en Scheveningen die van de oorspronkelijke steden van het college. Die hielden evenwel vast aan hun positie in het college, maar de Vlaardingse reders zorgden er uiteraard wel voor dat ook hun belangen goed werden behartigd. In 1857 werd het College voor de Grote Visserij opgeheven.

Reacties