Direct naar navigatie

De lokale keuken in de Romeinse tijd

Door: Vlaardings Archeologisch Kantoor, Periode: 3000 v. Chr. - 499, Thema's: Dagelijks leven

In de jaren ’90 vond er een uitgebreid archeologisch onderzoek plaats op het bedrijventerrein Hoogstad in Vlaardingen. Ongeveer een eeuw lang gebruikte de inheems-Romeinse bevolking deze locatie. De archeologen troffen er dan ook veel materiaal aan, waaronder dierlijke botten en schelpen. Deze vondsten geven een idee van wat er bijna 2.000 jaar geleden op het menu stond.

Inheems-Romeinse bewoning

In de Romeinse tijd was de directe omgeving van de onderzoekslocatie vrij open en nat. Een rustig stromende kreek doorsneed het landschap en in de buurt was een nederzetting gevestigd. Het bewijs hiervoor wordt niet geleverd door huisplattegronden, maar door een grote hoeveelheid nederzettingsafval dat op de kreekbodem, in enkele greppels en in de natuurlijke laagtes in het landschap is gevonden. De lokale bevolking vestigde zich rond 70 na Chr. eerst in het noordelijke deel van het terrein (fase 1). Na ongeveer 55 jaar verplaatsten de activiteiten zich in zuidelijke richting, waar een tweede deponering van afval plaatsvond. Het centrum van het terrein vormde zowel ruimtelijk als qua datering van het materiaal een overgangszone.

Overzicht van de kreek met aanduiding van de eerste bewoningsfase (ovaal). Tekening: Vlaardings Archeologisch Kantoor.
Verschillende diersoorten

De archeologen verzamelden in totaal 6.335 dierlijke resten. Driekwart van het dierlijke materiaal (4.824 stuks) kon toegeschreven worden aan de eerste gebruiksfase van de locatie. Alleen dat materiaal wordt hier gebruikt om de voedseleconomie te reconstrueren. De samenstelling van het botmateriaal uit de andere fasen vertoonde geen grote verschillen.

Veruit het merendeel van de botresten is afkomstig van zoogdieren (4.795 botten). De resten die op soort gebracht kunnen worden, zijn vooral afkomstig van gedomesticeerde dieren. Het gaat om resten van runderen, paarden, schapen/geiten, varkens en honden. Schapen en geiten worden hier onder één noemer gevat, omdat er geen onderscheid gemaakt kan worden tussen de resten. Enkele botten van niet-voldragen of zeer jonge runderen en paarden wijzen erop dat de dieren ter plekke gefokt zijn. Voor schapen/geiten en varkens kon dit niet aangetoond worden.
Slechts negen botten zijn met zekerheid afkomstig van wilde dieren. Het gaat om edelhert, ree en woelrat. Deze laatste soort kan als klein knaagdier tot de lokale fauna gerekend worden.

Dierlijk botmateriaal:het soortenspectrum in de eerste bewoningsfase.Wat de vogelresten betreft (22 stuks), zijn de meeste botjes afkomstig van watervogels. Het gaat om wilde eend, wintertaling, zwaan, watersnip en diverse ganzensoorten. Onder de ganzenresten bevinden zich vermoedelijk ook enkele resten van tamme soorten. De aanwezigheid van gedomesticeerde gans op inheems-Romeinse vindplaatsen is geen zeldzaamheid. Daarnaast zijn een botje van een raaf en een haan verzameld.

Onder de visresten bevinden zich een compleet haringskelet en een deel van skelet van een karperachtige. Daarnaast zijn resten van snoek, winde en een kabeljauwachtige gevonden. De haring en kabeljauwachtige leven in zee. De snoek en winde zijn zoetwatersoorten. In een zijkreek en sloot zijn ten slotte ook schelpen aangetroffen van onder andere oester, mossel, kokkel, wulk en alikruik.

Wat staat er op de kaart?

Op de botten van runderen, schapen/geiten en varkens zijn hak- en snijsporen gevonden die zijn ontstaan tijdens de verschillende stadia van de vleesverwerking. Tijdens het opdelen van het karkas en het klieven van de pijpbeenderen voor mergextractie zijn haksporen op de pijpbeenderen ontstaan. Daarnaast wijzen enkele haksporen op specifieke handelingen bij runderen en schapen/geiten, zoals het afhakken van de kop en van de hoorns. De snijsporen zijn ontstaan bij het onthuiden, het lossnijden van de karkasdelen en het lossnijden van het vlees.

Het skelet van een rund dat is vrijgelegd tijdens de opgraving op het bedrijventerrein Hoogstad. Foto: Vlaardings Archeologisch Kantoor.De verhouding tussen deze vleesleveranciers wordt duidelijk geïllustreerd door het minimum aantal individuen. De botresten zijn afkomstig van minstens 54 runderen, 29 schapen/geiten en vier varkens. Wel moet opgemerkt worden dat de schapen/geiten uit de eerste fase van bewoning redelijk oud zijn geworden. Dit wijst erop dat de dieren vooral voor hun wol gehouden zijn.

Opmerkelijk is dat ook de botten van twee andere gedomesticeerde diersoorten hak- en snijsporen vertonen. Op de paardenbotten zitten deze sporen op precies dezelfde plaatsen als bij de runderen. Het is dus niet uit te sluiten dat ook deze dieren gegeten zijn. Daarnaast vertonen ook enkele hondenbotten bewerkingssporen. De sporen zijn mogelijk ontstaan bij het onthuiden van het karkas, maar er zijn verder geen aanwijzingen dat de dieren als voedsel dienden.

Op basis van de gevonden botten kan geconcludeerd worden dat jacht en vogel- en visvangst geen grote rol speelden bij de voedselvoorziening. Wel lijkt het percentage iets hoger te liggen bij de aanvang van de inheems-Romeinse bewoning dan in de latere fasen. Van edelhert zijn alleen geweiresten aanwezig, die verzameld kunnen zijn in de nawinter of het vroege voorjaar. De botresten van ree wijzen erop dat dit dier wel bejaagd is. Wat de gevonden vogels betreft, zijn alle soorten (behalve misschien de raaf) geschikt voor consumptie. Vis stond blijkbaar zelden op het menu en af en toe vulde men de spijskaart aan met zeevruchten.

Bronnen

Van Dijk, J., H.A. Robbers en T. de Ridder (red.), met bijdragen van W.J. Kuijper en J. Schelvis, 2003: VLAK-verslag 3.2. Hoogstad 6.036. Het dierlijk materiaal.

Reacties