Direct naar navigatie

Gerrit Metzon, slaaf in Algiers VI

Door: Stadsarchief Vlaardingen, Periode: 1800 - 1899, Thema's: Gezag en politiek, Handel en industrie

Een mooi slot aan Metzons ‘dagverhaal’ vormen enkele van de laatste regels uit het triomfdicht, dat hij leest vlak voordat hij uit Algiers vertrekt: ‘Thans keert gij tot hun weer, die hooploos u verbeidden en in uw ongeval hun eigen leed beschreidden; Straks drukt gij gade en kroost en vrienden aan uw hart, En vindt, aan hunnen borst, vergoeding van uw smart’.

Zo komen zij aan bij Algiers, waar zij tot hun grote vreugde de Engelse maar ook de Nederlandse eskaders duidelijk kunnen zien liggen in de baai. Hun blijdschap kent geen grenzen als ze te horen krijgen dat ze verlost zullen worden van hun ketens en beugels en hun vrijheid terugkrijgen.
Iedereen moet zo snel als hij kan zijn spullen pakken en naar de haven gaan om ingescheept te worden. Terwijl de Turkse kogels om hun oren vliegen, verlaten de Vlaardingers in twee Engelse boten de haven om aan boord te gaan van een transportschip. Metzon wordt naderhand met zijn scheepsvolk op het fregat ‘De Dageraad’ overgezet waar ze door de kapitein en zijn manschappen met veel genegenheid worden verwelkomd. De andere dag arriveren Rijk en Riedijk met hun manschappen aan boord. Inmiddels schrijven we 1 september en wordt er op de Engelse en Nederlandse eskaders een ‘groote Dank- en Vreugdedag gehouden, met eene groote parade en het lossen van geschut’. Op ‘De Dageraad’ kondigt commandant kolonel J. M. Polders plechtig en ‘met dankzegging aan het Opperwezen voor de luisterrijke overwinning’, de gesloten vrede met de Algerijnen af. Als Metzon, Riedijk en diens zoon de volgende dag nog even teruggaan naar het huis van de Deense consul om nog wat persoonlijke spullen op te halen, moeten ze zich over en door de puinhopen van de zwaar gehavende stad heen worstelen.

'De Dageraad' was één van de zes schepen die tot het Nederlandse eskader behoorden

Naar huis

Dan, op 3 september, is het zover. ‘De Dageraad’ zet samen met een aantal Engelse en drie andere Nederlandse schepen koers richting Gibraltar waar ze de 13e van die maand om middernacht arriveren. Hier treffen ze de drie andere Nederlandse fregatten en het grootste deel van het Engelse eskader aan. Twee dagen later licht het fregat, bevoorraad met vers water en met een stevige oostenwind in de flank, weer het anker. Tijdens de lange reis die volgt, wordt een aantal ex-slaven ernstig ziek. Eén van hen braakt tot verbazing van de scheepsarts een bloedzuiger uit, die hij waarschijnlijk tijdens de helse uittocht uit Algiers met het drinken van vervuild water binnengekregen had. Dan valt er een dode te betreuren. Pieter Zinkens, een voormalig matroos van kapitein Rijk, bezwijkt en krijgt een zeemansgraf. Bij de meesten bleef het echter gelukkig bij kapotte benen als gevolg van de beugels.
Als ze Kaap St. Vincent passeren staan ze vanzelfsprekend een moment stil bij wat hen ruim twee jaar eerder bij deze plek was overkomen.

Voet op Nederlandse bodem

Eindelijk, na een lange, maar overwegend voorspoedige zeereis, zetten Metzon en de zijnen op 21 oktober weer voet op Nederlandse grond, om precies te zijn in Den Helder. Commandant Polders chartert voor hen een schip met voor drie dagen proviand aan boord waarmee de Vlaardingers naar Amsterdam kunnen varen. De commandant ‘zette hiermede het zegel op al de weldaden die wij gedurende onze overtogt van hem genoten hadden, waarvoor wij hem, bij ons afscheid, onze hartelijken en ongeveinsden dank toebragten’, aldus Metzons aantekening. De volgende dag lopen ze dan de haven van Enkhuizen binnen. Hier woont Metzons broer, wiens zoon bij hem op het schip voer, en dus hetzelfde lot had ondergaan.‘Ik bragt den Jongeling aan de woning zijner ouders, alwaar de eerste ontmoeting met de moeder en hare andere kinderen alleraandoenlijkst was’. Metzons broer was op dat moment op zee waardoor hij niet in de vreugde kon delen. Via Amsterdam, Delft en de trekschuit naar Maassluis, bereiken ze uiteindelijk op 25 oktober 1816 om precies 15.00 uur te voet Vlaardingen na een afwezigheid van twee jaar en zeven maanden waarvan twee jaar, twee maanden en vier dagen in slavernij.Met de trekschuit van Delft naar Maassluis en vandaar te voet naar huis

Met de woorden 'Na den volbragten Godsdienstpligt ging ieder onzer naar zijne woning met een hart vervuld met eerbied voor en dankbaarheid aan het Opperwezen, wiens weldadigheid aan bewezen, door ons in gedachtenis gehouden zal worden tot aan het eind van ons leven' eindigt het 'dagverhaal' van de lotgevallen van de Vlaardingse schipper Gerrit Metzon. Hierna voegt hij nog het triomfdicht toe dat hem en zijn metgezellen bij hun vertrek uit Algiers op 3 september 1816 ter hand werd gesteld evenals een uitgebreid, dertig pagina's tellend verslag met 'Aanteekeningen betreffende het rijk van ALGIERS, de zeden, en gebruiken van deszelfs inwooners'.

Einde

Bron: ‘Dagverhaal van mijne lotgevallen, gedurende eene gevangenis en slavernij van twee jaren en zeven maanden, te Algiers, met eene korte beschrijving van die stad, de levenswijs, zeden en gebruiken van hare inwoonders’ dat in 1817 in druk het licht zag. Het Vlaardingse Stadsarchief bezit hiervan een (uiterst zeldzaam) exemplaar.

 

Reacties