Direct naar navigatie

Gerrit Metzon, slaaf in Algiers III

Door: Stadsarchief Vlaardingen, Periode: 1800 - 1899, Thema's: Gezag en politiek, Handel en industrie

'Triomf! Driemaal triomf! Wij mogten zegevieren Hoe woedend de Algerijn mogt in zijn vesting tieren; De Nederlandsche leeuw verslond dit laag gebroed, Vergruisde zijne magt met onweerstaanbren moed….’ Zo luiden de eerste regels van een triomfdicht dat een overgelukkige Gerrit Metzon bij zijn vertrek uit Algiers van een onderofficier te lezen kreeg. Maar zover is het nog lang niet……

Gerrit Metzon, kapitein van het buisschip ‘De Twee Gebroeders’ en zijn bemanningsleden hebben er inmiddels al bijna een jaar als christenslaaf in Algiers op zitten. Een schip uit Gibraltar brengt op 15 april 1815 een slechte tijding mee. De van Elba ontsnapte Napoleon Bonaparte is met een legermacht op weg naar de Nederlanden. De hoop op een spoedige bevrijding wordt daarmee de bodem ingeslagen. Aan het slavenleven met al zijn ontberingen zou voor Metzon en zijn metgezellen voorlopig nog geen einde komen.

‘Regtspleging’ is Turken onbekend

Metzon noteert – over het algemeen vrij nuchter – in zijn dagboek de meest gruwelijke wreedheden. Zo vertelt hij gezien te hebben dat een Turkse vrouw die, nadat zij met een christen ‘geboeleerd’ (overspel gepleegd) had, in een zak verzwaard met stenen, in de zee geworpen werd. Haar minnaar kwam er niet beter vanaf; hij werd levend verbrand aan een paal.

Passage over de verdronken Turkse vrouw Een Moorse bakker, die zijn ambacht blijkbaar niet naar behoren uitvoerde, moest drie dagen lang, vastgespijkerd aan zijn oren, zonder eten of drinken zien te overleven. Meerdere malen zag Metzon tijdens zijn verblijf buiten de gevangenis de lijken van opgeknoopte Moren in de bomen of over de stadsmuur van Algiers hangen. De Moren hadden sowieso een ondergeschikte positie bij de Turken (Turkse Ottomanen, waaronder ook de Algerijnen vallen), net als de joden, de Arabieren en dat spreekt vanzelf, de christenslaven. Ook vertelt Metzon over zijn ontmoeting met een 101-jarige Napolitaanse slaaf, die er al 25 jaar gedwongen arbeid op had zitten. Zijn hoge leeftijd belette de slavendrijvers niet om hem nog elke dag naar de haven te sturen om stenen af te bikken.
Aan rechtspraak deden de Turken niet, getuige Metzons volgende notitie: ‘Een misdadiger werd, somtijds om ene beuzeling, op hetzelfde oogenblik gevat, weggevoerd, geslagen, gehangen of verbrand’….

Komen en gaan van schepen

Het is druk in de haven. Een ‘vers’ gekaapt schip voert nieuwe christenslaven aan, ditmaal uit de Nederlanden. Zo vindt op 4 juni de emotionele ontmoeting plaats van Metzon met kapitein Arie Riedijk en zijn scheepsvolk, zeven mannen waarvan er vijf uit Vlaardingen afkomstig zijn:‘Schreijende vroegen wij naar elkanders welstand en trachtten ons onderling, zoo veel mogelijk, in ons lot te vertroosten en te bemoedigen’. Riedijks kofschip was, geladen met zout, op weg van Lissabon naar Rotterdam door de Algerijnen gekaapt. Een hoeker uit Maassluis, gevoerd door kapitein Hendrik Das, was op het nippertje de dans ontsprongen. Dan brengt op 19 juli een Genuees vaartuig het nieuws van de nederlaag van Napoleon Bonaparte in de slag bij Waterloo, waardoor het moreel van de Vlaardingers weer wat wordt opgevijzeld.
Af en aan arriveren schepen uit onder andere Portugal, Engeland, Denemarken en Zweden die tonnen pek en teer, planken, dekdelen, vaten buskruit, geweren en zware ankertouwen aanvoeren, bestemd voor de Dei (de heerser van Algiers) en de Staatsraad. Voor de slaven brengt deze aanvoer een hoeveelheid loodzwaar werk met zich mee.

Nederlands eskader

Eind juli doet een Nederlands eskader van zeven schepen de haven aan. De Engelse consul gaat op verzoek van de Hollanders tot twee maal toe aan boord en er gaan geruchten dat de vrede snel gesloten zal worden. Deze hoop wordt gestaafd als er 21 kanonschoten klinken. Helaas blijken dit de saluutschoten te zijn van een Engels schip dat zijn anker had uitgeworpen voor Algiers.
De 26e juli komt het tijdens een onderhandelingspoging tot een gewapend conflict tussen enkele Turkse fregatten en het Nederlandse eskader, waarbij aan Turkse zijde een dode en een gewonde vallen. Hierna moeten de Hollandse slaven het ontgelden. Aldus Metzon: ‘De slaven in het algemeen, maar bijzonder ons volk, werden verschrikkelijk gescholden, voortgejaagd en geslagen, terwijl de Turken en Moren, bij het gaan naar de gevangenis, ons allerlei smaadheden en verguizingen aandeden’.
Dan arriveert er vanuit de steden Oran en Bona een grote groep christenslaven, arme visserslieden die misleid waren door de onder Engelse vlag varende Algerijnse kapers. Van de dertig schepen die buit waren gemaakt, was weinig meer over, waardoor de groep die aanvankelijk uit 360 man bestond, te voet naar Algiers moest. Tachtig man overleeft de helse tocht niet. Een paar kinderen, die van vermoeidheid niet meer lopen konden en door hun vaders op de arm genomen waren, worden ruw door de Moren bij hun vaders weggerukt en tegen de grond doodgeslagen.Verslag van de aankomst van de groep christenslaven uit Oran en Bona

Op 30 juli verlaat het Nederlandse eskader, na weer een mislukte onderhandeling, de Algerijnse wateren. Metzon en zijn volk waren hierna het ‘voorwerp van smaad en bespotting, zoo wel van onze medeslaven als van de Turken’.
Een schip uit Marseille dat Algiers aandoet brengt een positieve tijding. Lodewijk XVIII zou de regering weer aanvaard hebben. Dit betekent nieuwe hoop voor Metzon en zijn metgezellen.

Vervolg: Gerrit Metzon, slaaf in Algiers IV

Bron: ‘Dagverhaal van mijne lotgevallen, gedurende eene gevangenis en slavernij van twee jaren en zeven maanden, te Algiers, met eene korte beschrijving van die stad, de levenswijs, zeden en gebruiken van hare inwoonders’ dat in 1817 in druk het licht zag. Het Vlaardingse Stadsarchief bezit hiervan een (uiterst zeldzaam) exemplaar.

Reacties