Direct naar navigatie

Uit de Handschriften- en documentatieverzameling: ‘Kees, de veedrijver’

Door: Stadsarchief Vlaardingen, Periode: 1800 - 1899, Thema's: Dagelijks leven

Aan beschrijvingen van de levens van notabele Vlaardingers is in het Stadsarchief geen gebrek. Die hebben hun sporen in het Vlaardingse wel nagelaten. Het grootste gedeelte van de bevolking bestond vroeger echter uit hardwerkende ambachtslieden, arbeiders, vissers en boeren. Sappelend en zwoegend, niet gehinderd door enige geletterdheid of cultureel bewustzijn, leefden ze hun armzalige leven bij de dag.

Een illuster voorbeeld van deze laatste categorie is Kees van Berkel. Zoals in die tijd vaak voorkwam, had Kees een bijnaam. Twee zelfs, ‘Kees de veedrijver’ en ‘Kees de rut’. De eerste bijnaam spreekt voor zich, de tweede bijnaam vraagt om enige toelichting. Het zit namelijk zo. Als men Kees weleens om geld vroeg, zei hij standaard 'Nee, ik ben rut!' (blut). Zo ging dat in die tijden. Door de aantekeningen die een onbekende van deze markante Vlaardinger maakte, leeft hij voort in de Handschriften- en documentatieverzameling van het Stadsarchief.

Kees van Berkel op 52-jarige leeftijd

Achter Strontenburg

We gaan terug naar de 19e eeuw, naar een stukje Vlaardingen dat de tot de verbeelding sprekende bijnaam ‘Achter Strontenburg’ droeg. De Werfsteeg (een zijsteegje van de Kortedijk), de plek waar Kees op 26 april 1861 het levenslicht aanschouwde, lag in een echt volksbuurtje, vlak bij een houtkoperij en de Vlaardingse Vaart. In de Wedde, een slootje dat uitkwam op de Vaart, waste men de paarden die de trekschuit trokken.
Deze deden regelmatig in of naast het slootje hun behoefte. Vandaar.
In een schamel huisje, volgens de overlevering getypeerd als ‘een verblijf welks inrichting een bespotting was zelfs van de matigste eisen der hygiëne’, werd Keesje geboren. ‘De plek, waar eenmaal de wieg van Kees op stond, was de geliefkoosde omgeving van dát volkje, hetwelk leefde bij de dag, zich niet bekommerende om de dag van morgen. Dat volkje, voortlevende in de dommel der dagelijkse ontberingen en daarin lijdelijk berustende, zich niets aantrekkende van de algemene loop der dingen, dat even spontaan schreien als lachen kan, en goed bekeken behoort tot het meeste eerlijk en oprechte mensenras. Alle officieel gedoe is hen vreemd, hun taal is niet altijd even gemanierd, zij kijken niet vriendelijk als zij boos zijn, geven geen handjes en maken geen buiginkjes tegenover hen wien zij verachten, doch presenteren als het hun gewenst voorkomt liever een pak slaag. Te midden van dit in isolement levende volkstype stapte Kees dit aards tranendal binnen’. De heersende mores in het buurtje zal een ieder door deze rake typering meteen duidelijk zijn….. De Werfsteeg voor 1952 (foto J. Sluimer)

Kees’ carrière

De ouders van Kees waren straatarm en gaven weinig om de toekomst van hun kinderen. De leerplichtwet bestond nog niet. Hierdoor zag onze Kees nauwelijks een klaslokaal van binnen. Als gevolg hiervan waren zijn vooruitzichten op zijn zachtst uitgedrukt niet glorieus. Vermoedelijk zou hij een scharrelaar worden, zoals zovelen in die tijd.
Ondertussen groeide kleine Kees vrij zorgeloos op, hij voelde zich thuis in de weilanden tussen de paarden, koeien en varkens die hij verkoos boven het mensenras. Toen hij op een leeftijd was dat ook hij een duit in moeders zakje moest doen, kreeg hij een betrekking als baandersjongen, werken in een touwslagerij dus. Daar was hij al snel klaar mee. Kort erna kwam hij bij slagerij Van Selm terecht. Ook tussen het vee, maar dan anders…  De grote dierenvriend koos al snel eieren voor zijn geld en werd knecht bij de oude boer Jan Poot op de Kortedijk. Hij leidde een spaarzaam leven, sliep in de hooiberg of als het weer het toeliet, gewoon in het gras. Een natuurmens in hart en nieren.

Achter Strontenburg en omgeving. Uitsnede van een plattegrond uit 1890

Van zijn spaarcenten kocht hij op een keer een koetje dat hij later met winst weer van de hand deed. Volgens zijn eigen zeggen ‘kon ‘ie melken als een ruiter’, wat dat dan ook moge betekenen. Met de liefde ging het echter minder goed. Kees: ‘Ik ben twee keer verliefd geweest. De eerste keer is m’n meid hem gesmeerd met mijn centen en nog een souveniertje van mij. De tweede meid heb ik geampeljeerd [geemployeerd=’aangenomen’] uit het Overmaasse, waarna ik d’r voor drie poropies [propjes=borreltjes] heb overgedaan aan een ander. Doch daarom niet getreurd hoor!’. Hiermee kwam er een eind aan het liefdesleven van Kees. Hij zocht een andere uitdaging, het werd de zee. Zes zeereizen brachten hem op ver gelegen visgronden. Ook op de woeste baren vond Kees blijkbaar niet wat hij zocht.

Hoogte- en tevens dieptepunt: ‘gediplemeerd veedrijver’

Eenmaal weer aan de wal belandde Kees weer in het agrarisch leven; hij bracht het tot veedrijver, ‘maar liefst gediplemeerd ook!’. Zo vertelt Kees dat hij op een keer op de Maasbrug in Rotterdam ‘een koe een janus voor z’n neus gaf, die raak was’. Gevolgd door het volgende relaas: ‘Komt er een dame naar me toe. God crimineel, denk ik, wat zel me nou overkomme! En wat denkie…….? Die vrouw was van de dierenbescherming. Een agent erbij. Kees een preces verbaal en kort daarna kon ik twee dagen opknappen in Breda, omdat in Rotterdam geen ruimte meer was. Toch zorgt onze lieve Heer altijd nog voor ’n arm mens, vooral in Breda. In Breda mot je begrijpen, het je ’t veul beter als in Rotterdam of Den Haag. Hier kreeg ik nog bezoek van een dominee of zendeling of zoiets. Die vroeg mij of ik al aangenomen was. Ik zeg nee Edelachtbare. Daarop vroeg hij mij of het goed was als hij daarvan kennis gaf aan dominee Van Haselen te Vlaardingen. Welnee, jee, waarachtig niet zei ik, ze hebben bij ons niet te weten dat ik hier in ’t schuurtje zit!’
Over de consumptie van alcohol had hij zo zijn eigen mening: ‘Drank is de wortel van alle kwaad, doch ik wouw dat ik er een bekkem vol van had!’. De laatste jaren leefde Kees bijna alleen op ‘kropbrood’ met spek dat hij ‘goed onder de pekel hield’. Hij was nooit ziek en sprong op hoge leeftijd nog met gemak over een hek. Met zijn gebit waaraan geen tand of kies ontbrak, kon hij zo zeventig kilo optillen.
De altijd ongehuwd gebleven Kees woonde tot zijn 46e bij zijn moeder en trok toen (in 1907) in bij een nicht van moederskant, de gescheiden Ida Akkerman (1851-1925). Zij woonde iets verderop in een klein huisje aan de Noordsteeg, een ander steegje aan de westzijde van de Kortedijk. Daar stierf hij op 13 mei 1925, 64 jaar oud. De overblijfselen van dit steegje zijn in 1952 gesloopt. Kees' vader, Kornelis van Berkel genaamd, had net als zijn zoon een gevarieerd arbeidsleven. Zo was hij onder andere haringloper. Zijn bijnaam was 'Kees van Maggi'.

Tot zover deze schets van het leven van deze eenvoudige Vlaardinger, Kees van Berkel, alias 'Kees de Rut' en 'Kees de Veedrijver'. Tijdens zijn jeugd moet hij toch op de een of andere manier de schrijfkunst machtig zijn geworden, want we eindigen met een gedicht van zijn hand: PDF-file.

Bronnen:
• Handschriften- en documentatieverzameling, inv.nr. 979. Opgetekend [waarschijnlijk] door M. en A. van der Velden.
• Afbeeldingen afkomstig uit de Topografisch-historische Atlas, inv. nrs. P0391 (Van Berkel), T810-002 (Werfsteeg) en KVL0436 (plattegrond uit 1890).

Reacties