Direct naar navigatie

  1. Prikslee gemaakt uit een paardenkaak

    Prikslee gemaakt uit een paardenkaak (1250 - 1350)

    Onderkaak van een 1,5 tot 2 jaar oud paard gevonden in een laat dertiende-eeuwse gracht tijdens de opgraving op het Kolpabadterrein in 1998. De kaak was ooit onderdeel van een priksleetje, waardoor de onderzijde glad is afgesleten. Een kind kon gaan zitten op een houten plankje dat was bevestigd op één of twee paardenkaken. Met behulp van een puntige stok kon het zich daarna voortbewegen over het ijs. De oudste bekende kaaksleeën dateren uit de dertiende eeuw.

  2. Messing ketel

    Messing ketel (1250 - 1350)

    Een zeldzame vondst is deze messing ketel. Messing is een legering van 70 tot 80% koper en zink. Het voorwerp is gevonden in het westelijke deel van een laat 13e-eeuwse kasteelgracht tijdens de opgraving op ‘Den Engelschen Boomgaert’ in 1998. Dit model ketel, namelijk rond en zonder pootjes, komt betrekkelijk weinig voor. Het voorwerp is vervaardigd van een uitgehamerde plaat, waardoor de rand dikker is dan de onderkant. De dunne bodem vertoont enkele gaten die ontstaan zijn door het veelvuldige gebruik. Een messing ketel was echter kostbaar en werd niet zomaar weggegooid als deze stuk was. Aan de onderzijde zijn in de middeleeuwen enkele reparaties aangebracht. Langs de dikke rand van de ketel bevond zich een cementachtige substantie. Dit bleek het restant van een ijzeren hengsel te zijn, dat helemaal weggeroest was.

  3. Koekenpan

    Koekenpan (1250 - 1325)

    Bakpan van roodbakkend aardewerk, met een korte holle steel waarbij het gat door de wand heengaat. De rand heeft een kleine dekselgeul en een ronde kraag. De binnenkant is spaarzaam geglazuurd. De onderzijde is beroet.

  4. Kloostermop

    Kloostermop (501 - 1499)

    Op het terrein van ‘Den Engelschen Boomgaert’ zijn in 1998 verschillende grote bakstenen, zogenaamde kloostermoppen, gevonden. Het zijn de restanten van de stenen toren die in de 13e eeuw hier stond. In de loop van de tijd worden de bakstenen steeds kleiner, zodat aan de hand van het formaat een relatieve datering gegeven kan worden. Het formaat van deze kloostermoppen, circa 30 x 15 x 7,5 cm, was met name gangbaar in de tweede helft van de 13e eeuw.

  5. Zwaard

    Zwaard (1250 - 1300)

    In 1998 vond een archeoloog dit zwaard tijdens de opgraving van het kasteelterrein d’Engelsche Boomgaert. Het stond rechtop, met de punt naar beneden, in een kuil die was ingegraven in de laat 13e-eeuwse gracht. De pommel werd eerst gevonden en een maand later kwam ook de rest van het voorwerp uit de grond. De mooi bewaard gebleven pommel is min of meer rond en is gemaakt van brons. De vorm komt overeen met type I van Oakeshott, de meest voorkomende pommelvorm tussen de 10e en de vroege 15e eeuw. Vooral vanaf de tweede helft van de 13e eeuw was de vorm heel populair. De kling van het zwaard is vervaardigd van ijzer en was in erg slechte staat. Eigenlijk restte er niet veel meer dan brokjes roest. In de kern was er bijna geen metaal meer over en op de röntgenfoto’s was de vorm van het zwaard niet veel duidelijker te zien. Archeoplan puzzelde de verschillende roestklompjes aan elkaar en monteerde ze op een houten model. Het zwaard bleek 1,06 m lang te zijn en qua vorm het meest overeen te komen met type XIIIb van Oakeshott. Dit zwaardtype was erg populair in de 13e en 14e eeuw. De angel is net onder de pommel afgebroken en van de pareerstang zijn geen fragmenten teruggevonden. Hoe het kostbare voorwerp in de mestkuil terecht is gekomen, is onbekend. Er is een theorie die stelt dat het zwaard als een soort offer is gedeponeerd bij de aanleg van het kasteel. Een andere theorie gaat er van uit dat het zwaard in de kuil terecht is gekomen tijdens onrusten in het midden van de 14e eeuw.

  6. Dover

    Dover (1200 - 1499)

    Dover van roodbakkend aardewerk. De bovenzijde is versierd met lijnen van driekhoekig uitgestoken putjes, die langs ingesneden lijnen zijn aangebracht. Het handvat is versierd met dezelfde lijnen en met driehoekige kerfsnee-versiering. De rand verloopt golvend. Enkel op en rond de rand zijn roetsporen zichtbaar. Aan de rand is het voorwerp 1,7 cm dik en net voor het handvat 2,4 cm. Het handvat is aan de basis 4,9 cm breed en in het midden 2,9 cm.

  7. Vorstpan

    Vorstpan (501 - 1499)

  8. Fragment van een spitoplegger

    Fragment van een spitoplegger (1275 - 1350)

    Tijdens de opgraving op het Kolpabadterrein vonden archeologen in een kasteelgracht drie fragmenten van verschillende spitopleggers. Dit fragment vertoont geen gaten waar het spit in lag. Twee zijden van het voorwerp zijn versierd. Ingekraste lijnen verdelen het oppervlak in rechthoeken van verschillende afmetingen. Elke rechthoek is door een diagonale lijn verdeeld in twee vakken, waarna uit elk vak een driehoekje is gekerfd. Spitopleggers werden gebruikt bij het braden van vers vlees. In de middeleeuwen was het eten van vers vlees niet voor iedereen weggelegd. Gedroogd of gezouten vlees was de regel en vers vlees was enkel voor welgestelde mensen weggelegd. Het is dan ook niet vreemd dat de spitopleggers gevonden zijn in de gracht rond een middeleeuws kasteelterrein. Op basis van het andere vondstmateriaal uit de gracht, kunnen de spitopleggers van het Kolpabad tussen 1275 en de tweede helft van de 14e eeuw gedateerd worden. Gelijkaardige vondsten uit Rotterdam laten toe deze datering nog iets te verfijnen. Deze spitopleggers werden gebruikt tussen 1275 en 1325.

  9. Spitoplegger

    Spitoplegger (1275 - 1350)

    Tijdens de opgraving op het Kolpabadterrein vonden archeologen in een kasteelgracht drie fragmenten van verschillende spitopleggers. Dit is het grootste fragment. Aan de rand zijn nog twee aanzetten voor gaten zichtbaar, waarin het spit kon rusten. Met uitzondering van de bodem, is het voorwerp langs alle zijden versierd. Ingekraste lijnen verdelen het oppervlak steeds in rechthoeken van verschillende afmetingen. Elke rechthoek is door een diagonale lijn verdeeld in twee vakken, waarna uit elk vak een driehoekje is gekerfd. Spitopleggers werden gebruikt bij het braden van vers vlees. In de middeleeuwen was het eten van vers vlees niet voor iedereen weggelegd. Gedroogd of gezouten vlees was de regel en vers vlees was enkel voor welgestelde mensen weggelegd. Het is dan ook niet vreemd dat de spitopleggers gevonden zijn in de gracht rond een middeleeuws kasteelterrein. Op basis van het andere vondstmateriaal uit de gracht, kunnen de spitopleggers van het Kolpabad tussen 1275 en de tweede helft van de 14e eeuw gedateerd worden. Gelijkaardige vondsten uit Rotterdam laten toe deze datering nog iets te verfijnen. Deze spitopleggers werden gebruikt tussen 1275 en 1325.

  10. Pot

    Pot (1400 - 1599)

    Pot van roodbakkend aardewerk met twee oren die door middel van een lob-achtig golfpatroon zijn versierd. De pot is spaarzaam geglazuurd. De rand loopt verticaal omhoog en is voorzien van een klein dekselgeultje. Mevrouw Mosterd vond deze pot in 1990 toen de vloer in de koestal van boerderij Schinkelshoek werd verwijderd en er ter plaatse werd gegraven. Zij schonk de pot in 1996 aan de Gemeente Vlaardingen.